Conclusie

‘Is er een meerwaarde door de taken-theorie, zoals omschreven door J.W. Worden, in vergelijking met de fasen-theorie, zoals omschreven door E. Kübler-Ross, in de pastorale begeleiding van rouwenden na de dood van een geliefd persoon?’

Ja, er is een meerwaarde in de pastorale begeleiding van rouwenden na de dood van een geliefd persoon.

De fasen-theorie van Kübler-Ross bevat in enge zin vijf kernwoorden (zie 2.2) en in bredere zin ook schok, hoop, levensgeschiedenis en drie aspecten (zie 2.3).

De taken-theorie van Worden bevat in enge zin vier taken (zie 3.2). In bredere zin omvat de theorie van Worden vijf gebieden, die vervolgens in vier of meer deelpunten onderverdeeld zijn (zie 3.4-3.8).

Het begrip ‘taken’ laat meer ruimte voor individuele aanpassingen dan het begrip‘fasen’ (zie 4.1 en 4.2). Het einddoel bij ‘fasen’ is aanvaarding en bij ‘taken’ zinvol verder leven (zie 4.2). De fasen-theorie is non-directiever en de taken-theorie confronterender. Zowel praten als werken is nodig. Dit geeft de hulpverlener gereedschappen om de ander werkelijk te kunnen helpen (zie 4.4). Beide theorieën hebben een verschillend uitgangspunt (zie 4.5).

Er is geen strikte scheiding van theorieën noodzakelijk (zie 4.6). Dit leidde tot de vorming van een aangepast model: ‘Het Dressoir’ (zie 4.7). Dit is het psychotherapeutisch uitgangspunt. De pastor heeft zo meer informatie en mogelijkheden voor de individuele begeleiding in de ene hand.

In de andere hand heeft hij zijn domeinspecifieke pastorale vaardigheden en functies (zie 5.2 tot 5.4). Er is in veel gevallen een combinatie van psychotherapie en pastoraat mogelijk (zie 5.6). Dit is het pastoraal theologische uitgangspunt.

Het psychotherapeutisch uitgangspunt vormt een cirkel. Het pastoraal theologisch uitgangspunt vorm een tweede cirkel (zie 5.6).

Cirkel (2K)
Figuur 4

Zoals te zien in figuur 4, vallen de cirkels niet geheel samen. Ieder vakgebied behoudt een aantal domeinspecifieke vaardigheden en eigenschappen. Wanneer de beide cirkels niet samen vallen zal de pastor de voorkeur geven aan het pastoraal theologisch uitgangspunt. Het is in sommige situaties onmogelijk om beide te combineren. (zie 5.5).

De pastor en de rouwende kunnen deze meerwaarde ervaren. In de individuele pastorale rouwbegeleiding moet dit nog ‘op maat’ gesneden worden. Rouwverwerking is een individueel proces (zie 1.1). Hierin zijn overeenkomsten en unieke momenten. Rouwverwerking kost tijd. Zo’n 1 ½ tot 2 jaar (zie 1.3).

De levensfase van de gestorvene, de rouwende, de doodsoorzaak en de levensovertuiging spelen ook een belangrijke rol zie (3.5). Ik heb mij beperkt tot de volwassen overledene na een natuurlijke dood. De rouwende is een (hoog) bejaarde in een zorginstelling (zie inleiding, 4.8 en bijlage 1). De christelijke levensovertuiging betrof beide. Deze keuzen zijn vooral zichtbaar in de verschillende voorbeelden.

Ja, er is een meerwaarde met de taken-theorie, zoals omschreven door J.W. Worden, in vergelijking met de fasen-theorie, zoals omschreven door E. Kübler-Ross, in de pastorale begeleiding van rouwenden na de dood van een geliefd persoon.

Ik heb als pastor meer gereedschappen in de hand. Ik ben actiever in het rouwverwerkingsproces betrokken. Ik kan de rouwende beter begeleiden, steunen en troosten. Ik kan hem helpen om eventueel nieuwe vaardigheden aan te leren. De pastor is dicht bij God en dicht bij mensen.

Maar voor dit alles moet ik, als pastor, geïnspireerd en gevoed zijn en blijven vanuit mijn persoonlijk geloof in God de Vader, Jezus Zijn Zoon en de Heilige Geest.