De vraagstelling was:
‘Is er een meerwaarde door de taken-theorie, zoals omschreven door J.W. Worden, in vergelijking met de fasen-theorie, zoals omschreven door E. Kübler-Ross, in de pastorale begeleiding van rouwenden na de dood van een geliefd persoon?’
Door mijn werk, als geestelijk verzorger in zorginstellingen, werd mijn belangstelling voor dit onderwerp gewekt. Ik wilde onderzoeken of de taken-theorie een meerwaarde in de individuele pastorale begeleiding heeft.
Ik omschreef rouwverwerking als het geheel van gevoelsbelevingen, gedachten en ander gedrag waarmee mensen reageren op een belangrijk verlies. Om meer grip te krijgen werden er verschillende theorieën ontwikkeld. De rouwduur is gemiddeld 1 ½ tot 2 jaar. De rouw is voorbij wanneer de rouwende niet meer belemmerd wordt door zijn of haar verdriet en nieuwe contacten aankan. Het begrip ‘fase’ zag ik als een opeenvolgend proces en ‘taak’ als een werk dat verricht moet worden. Beiden leken hetzelfde einddoel te hebben.
Kübler-Ross heeft baanbrekend werk verricht. Zij kwam tot de omschrijving van de fasen-theorie. Door de vijf kernwoorden: ontkenning, woede, marchanderen, depressie en aanvaarding kon men de reacties van de stervenden beter herkennen en er mee omgaan. Deze theorie werd ook gebruikt in de rouwverwerking. Het einddoel is aanvaarding. De non-directieve houding was het belangrijkste begeleidingsmiddel. Het is geen sluitende theorie. Kübler-Ross sprak ook over schok, hoop, het belang van de levensgeschiedenis en drie aspecten. De fasen-theorie is nuttig en zinvol. Er waren een aantal kritische kanttekeningen.
Worden heeft zijn taken-theorie goed doordacht en uitgewerkt. De vier rouwtaken zijn:
Ook de taken omvatten niet het gehele gedachtegoed. Zonder de kenmerken en factoren van verdriet, rouwbegeleiding en technieken mis je wel wat. Je moet de theorie in zijn gehele breedte nemen. Verlies daarbij niet de individuele mens, met zijn uniek verhaal uit het oog. Het einddoel is: zinvol verder leven.
De begripsomschrijving ‘taak’ is beter toegepast dan ‘fase’. Na bestudering moest ik concluderen dat de einddoelen niet helemaal overeenkomen. Bij de ‘fasen-theorie’ is dit aanvaarding en bij de ‘taken-theorie’ zinvol verder leven. Er was een overgang van ‘fase’ naar ‘taak’ theorie. De fasen-theorie is non-directiever en de taken-theorie confronterender. Het is praten en werken. Dit geeft de hulpverlener goede gereedschappen in de rouwbegeleiding.
Mijn conclusie:
er is een meerwaarde met de theorie volgens Worden. Een strikte scheiding is niet noodzakelijk. Ze hebben verschillende uitgangspunten. Met de positieve gedachten van beide theorieën, waarin de theorie van Worden wel de hoofdrol speelt, bedacht ik ‘Het Dressoir’. Dit vormt het psychotherapeutisch uitgangspunt. Tot slot had ik enige aandacht voor de (hoog) bejaarde rouwende.
Ik heb een voorkeur voor de combinatie van psychotherapie en pastoraat. De basishouding besprak ik, evenals de relatie tussen pastor en rouwende. De pastor aanvaardt de rouwende onvoorwaardelijk. Hij neemt de vier functies helen, bijstaan, begeleiden en verzoenen mee. De psychotherapie kan met wat kanttekeningen toegepast worden. Ik liet zien dat een combinatie tussen pastoraat en psychotherapie zeker mogelijk is. Dit is het pastoraal-theologisch uitgangspunt.
Conclusie:
Ja, er is een meerwaarde in de taken-theorie, zoals omschreven door J.W. Worden, in vergelijking met de fasen-theorie, zoals omschreven door E. Kübler-Ross, in de pastorale begeleiding van rouwenden na de dood van een geliefd persoon is.
Wel moet het individueel ‘op maat’ gesneden worden. In het individuele pastorale contact zijn overeenkomstige momenten, maar ook geheel unieke. Rouwverwerking kost tijd.
Boven alles blijft de pastor een dienstknecht van God die de rouwende mag dienen.