Hieronder vindt u de voetnoten in een apart frame.
- Voor een uitgebreider verslag kunt u lezen: G. van Schuylenburg-Meijer, ‘Rots in de branding’, in: C. van der Laan, C. Karsten-van der Brugge (red), Flambouw, Jubileumboek 30 jaar Centrale Pinkster Bijbelschool 1967-1997, (Lunteren: Centrale Pinkster Bijbelschool, 1997), pp 32-34.
- Kortweg de pastor (zowel mannelijk als vrouwelijk) en zorginstelling genoemd.
- Dale Van, Groot woordenboek der Nederlandse taal, plusversie 1.0 dec 2000, CD-rom (Utrecht/Antwerpen: Van Dale Lexicografie BV, 2000).
- E. Schouten, Als ouder alleen (Kampen: Kok Voorhoeve, 1992), p 22.
- M. v.d. Berg, Door je verdriet heen groeien (Kampen: Kok, 1992), p 15.
- M. de Bruijn, Leren leven met verliezen (Dordrecht: Drechtwerk, 1996), p 13.
- A.R.M. Polspoel, Wenen om het verloren ik, (Hilversum: Gooi en Sticht, 1981), p 24.
- J.W. Worden, Verdriet en rouw (Amsterdam: Swets en Zeitlinger, 1992), p 25.
- Ibid, p. 76.
- M. v.d. Berg, Door je verdriet heen groeien (Kampen: Kok, 1992), p 42.
- H.J.M. Vossen, Leren bijstaan van rouwenden (Kampen: Kok, 1989), p 3.
- Kübler-Ross spreekt over vijf fasen, Nightwronger een leerling van haar spreekt over acht fasen. Bout zegt het zijn ‘fasen of stadia (…) en er zijn twee, drie, vier, vijf of zes fasen beschreven’ Hij heeft dit vervolgens in een schema van zeven verschillende theoretici verwerkt, J van den Bout, E. van der Veen (red), Helpen bij rouw (Utrecht: De tijdstroom, 1997), p 23. Clinebell spreekt over vijf taken, J.W. Worden over vier taken en Vossen benoemd drie taken.
- W. ter Horst, Over troosten en verdriet (Kanpen: Kok, 1995), p 56.
- A. Levy, Ik had je nog zoveel willen vragen…, (Utrecht: Het Spectrum, 2000), pp 38,39.
- R de Vries en S. Zonnebelt-Smeenge, Op de drempel van het verdriet (Vaassen: Medema, 1998) p 17.
- J. Forceville-van Rossum, Dagen van na-bestaan (Baarn: Ambo, 1978), p 77.
- H.J.M. Vossen, Vrijwilligerseducatie en pastoraat aan rouwenden (Theologie en empirie deel 2, Kampen: Kok, 1985), p 65.
- C.F.G.E. Hallewas, In de schaduw van des doods (Rotterdam: Narratio, 1989), p 253.
- R de Vries en S. Zonnebelt-Smeenge, Op de drempel van het verdriet (Vaassen: Medema, 1998), p.177.
- Dale Van, Groot woordenboek der Nederlandse taal, plusversie 1.0 dec 2000, CD-rom (Utrecht/Antwerpen: Van Dale Lexicografie BV, 2000).
- Ibid
- Thanatologie, de wetenschap van het sterven en de dood.
- In plaats van het woord ‘fase’ gebruikt zij ook regelmatig het synonieme woord stadium.
- E. Kübler-Ross, Lessen voor levenden (Baarn: Ambo, 1969), pp 48,49.
- Ibid, p 87.
- E. Kübler-Ross, Leven met stervenden (Amsterdam: Ambo, 1982), p 44.
- Ibid, p 47.
- E. Kübler-Ross, Leven met stervenden (Amsterdam: Ambo, 1982), p 52.
- E. Kübler-Ross, Lessen voor levenden (Baarn: Ambo, 1969), p 264.
- E. Kübler-Ross, Dood, het laatste stadium van innerlijke groei (Amsterdam: Ambo, 1975), p 224.
- E. Kübler-Ross, Lessen voor levenden (Baarn: Ambo, 1969), p 264.
- Hierbij denk ik aan de contextuele hulpverlening. Het gaat in het levensverhaal om: 1. de levensfeiten, 2. de psychologie, hoe heeft deze persoon de feiten en gebeurtenissen uit het leven verwerkt? 3. de interactie, hoe waren de communicatiepatronen en was de onderlinge beïnvloeding? 4. de relationele ethiek, de levensgeschiedenis vanuit een vierde dimensie die verweven zit in de feiten, de psychologie en de interacties en daarmee onlosmakelijk verbonden is. Uitgangspunt is: wat in de ene generatie uit balans is geraakt, probeert men in de volgende generatie weer in evenwicht te brengen. Kernwoorden in de contextuele hulpverlening zijn: ‘de balans van geven en nemen’, en ‘loyaliteit’. M. Michielsen, W. Van Mulligen. L. Hermekes (red), Leren over leven in loyaliteit, over contextuele hulpverlening (Amersfoort: Acco, 1998) pp 20-22.
- E.M. Plantier, Door de dood omvangen (Kampen: Kok, 1994), p 201.
- E. Kübler-Ross, Dood, het laatste stadium van innerlijke groei (Amsterdam: Ambo, 1975), pp 222,223.
- E. Kübler-Ross, Lessen voor levenden (Baarn: Ambo, 1969), 170,171,181,182; E. Kübler-Ross, Dood, het laatste stadium van innerlijke groei (Amsterdam: Ambo, 1975), pp 225,226; E. Kübler-Ross, Leven met stervenden (Amsterdam: Ambo, 1982) p 177.
- E. Kübler-Ross, Wat kunnen wij nog doen? Vragen en antwoorden bij Lessen voor levenden (Baarn: Ambo, 1974), p 59.
- Ibid, p 67.
- M. de Bruijn, Leren leven met verliezen (Dordrecht: Drechtwerk, 1996), pp 21-29
- P.C.M. Pompe, Menselijke gedragingen, In goede handen, Leergang voor de ziekenverzorging (Leiden: Spruyt, van Mantgem & Does BV, 1974), p 432.
- A.R.M. Polspoel, Wenen om het verloren ik (Hilversum: Gooi en Sticht, 1981), p 34.
- C.F.G.E. Hallewas, In de schaduw des doods (Rotterdam: Narratio, 1989), p 75.
- J. de Geest, Psychiatrie voor geestelijk werkers (Doorn: Teen Challenge, 1995), p 21. Koos noemt niet haar naam, maar in een persoonlijk gesprek vertelde hij mij dat het geschrevene wel van haar theorie afkomstig was.
- ‘Non-directief houdt in dat je de cliënt zodanig zijn gang laat gaan, dat hij zich niet gebonden voelt door aanwijzingen of emotionele reacties van de hulpverlener (…) Van belang in zijn therapeutische benadering is het begrip relatie. Rogers beschouwt de relatie tussen cliënt en hulpverlener op zich al als therapeutisch. Die relatie draagt bij tot de groei van de cliënt.’ G. van der Stouw e.a., Kan ik het… helpen? (Groningen: Wolters-Noordhoff, 1985), p. 53.
- C.F.G.E. Hallewas, In de schaduw des doods (Rotterdam: Narratio, 1989), p 251.
- H.J.M. Vossen, Vrijwilligerseducatie en pastoraat aan rouwenden (Theologie en empirie deel 2, Kampen: Kok, 1985) pp 53-54,67.
- J. Forceville-van Rossum, R.van Oosten, Leven en dood – Partners op afstand (Baarn: Ambo, 1992) pp 53-54.
- Bijvoorbeeld prof. dr. J. van den Bout, bijzonder hoogleraar verlieskunde in Utrecht, de psychogerontoloog en klinisch psycholoog H. Buijssen en M. Keirse klinisch psycholoog en doctor in de medische wetenschappen.
- J.W. Worden, Verdriet en rouw (Amsterdam: Swets en Zeitlinger, 1992), p 10.
- Rouwarbeid (‘Trauerarbeit’) is volgens Freud een normaal proces een arbeid die verricht moet worden’ Een korte samenvatting: Het geliefde object, de gestorvene, is er niet meer. Nu moet al de energie die aan hem gegeven werd, worden teruggetrokken. Alle verbindingen die zij hadden moeten losgelaten of losgemaakt worden. Hiertegen komt de rouwende in verzet. Hij probeert op alle mogelijke manieren de gestorvene vast te houden. Dromen, herbelevingen en het gevoel dat de geliefde er nog is of heel vlakbij, zijn het gevolg. Toch zal de realiteit de overhand gaan krijgen. Stap voor stap, met gebruik van veel energie zal deze taak vervuld kunnen worden. Alle herinneringen en verwachtingen moeten langzamerhand worden losgemaakt en losgelaten. Toch zal de rouwende uiteindelijk de rouwarbeid voltooien en zal de rouwende opnieuw zijn vrijheid en ongeremdheid herwonnen hebben. S. Freud, Rouw en melancholie, Psychoanalytische theorie 1 (Amsterdam en Meppel: Boom, 1985), pp 65, 75, 76, 235.
- J.W. Worden, Verdriet en rouw (Amsterdam: Swets en Zeitlinger, 1992), p 22.
- M. Keirse, Helpen bij verlies en verdriet (Tielt: Lannoo, 1998), p 33.
- J.W. Worden, Verdriet en rouw (Amsterdam: Swets en Zeitlinger, 1992), p 25.
- Ibid, p 45.
- J van den Bout, E. van der Veen (red), Helpen bij rouw (Utrecht: De tijdstroom, 1997), p 59.
- M. Keirse, Helpen bij verlies en verdriet (Tielt: Lannoo, 1998), p 39,
- J.W. Worden, Verdriet en rouw (Amsterdam: Swets en Zeitlinger, 1992), pp 30-41.
- ‘Dit zijn obsessieve gedachten over de dode, bijvoorbeeld over hoe de verlorene teruggevonden kan worden.’ Ibid, p 35.
- Normaal rouwproces is volgens Worden ‘Zowel wat de arts verstaat onder een normaal rouwproces en ‘statistisch’ het wijst op de frequentie waarmee gedrag gevonden wordt, binnen een willekeurige groep van nabestaanden. Hoe vaker een gedrag voorkomt, des te meer het als normaal wordt beschouwd’ Ibid, p 29. Ook ik zal dit zo hanteren.
- Worden spreekt over determinanten of factoren, volgens de Van Dale betekent derminant ‘erfelijke factor die de ontwikkeling van een cel of orgaan bepaalt’ en factor ‘omstandigheid (kracht enz.) die invloed op de uitslag van iets uitoefent, medebepalend element’. Gezien de inhoud van dit gedeelte past het woord factor beter en zal ik deze term ook in het vervolg gebruiken. Dale Van, Groot woordenboek der Nederlandse taal, plusversie 1.0 dec 2000, CD-rom (Utrecht/Antwerpen: Van Dale Lexicografie BV, 2000).
- Ibid, pp 41-43.
- Ibid, pp 52-65.
- Ibid, pp 64,65.
- Dit lijkt op de cognitieve therapie. Wat zijn je automatische gedachten? Wat zijn de gevolgen daarvan? Ga dit identificeren en evalueren. Bepaal vervolgens een adequate reactie. Wat is het resultaat? Wat is nu de nieuwe gedachte en reactie? De cognitieve therapie werkt ook met huiswerkopdrachten. J.S. Beck, Basisboek cognitieve therapie (Baarn: Intro, 1995), pp 49-65.
- M. Keirse, Helpen bij verlies en verdriet (Tielt: Lannoo, 1998), pp 39-56.
- J. Forceville-van Rossum, R. van Oosten, Leven en dood – Partners op afstand, (Baarn: Ambo, 1992), p 55.
- M. v.d. Berg, Door je verdriet heen groeien (Kampen: Kok, 1992), pp 81-12.
- H.J.M. Vossen, Vrijwilligerseducatie en pastoraat aan rouwenden, Theologie en empirie deel 2 (Kampen: Kok, 1985) pp 86,87
- M. Keirse, Helpen bij verlies en verdriet (Tielt: Lannoo, 1998), p 21.
- A. van der Sterren, Email aan G. van Schuylenburg-Meijer, 04-01-2001.
- Deze rouwtherapeute heeft ook een opleiding bij Kübler-Ross gedaan. Yarden lezing over rouwverwerking, Aantekeningen van G. van Schuylenburg-Meijer, Emmeloord, 7 maart 2002.
- Dikke van Dale, Nieuwste herziene plusversie 1.0 dec 2000, CD-rom, Utrecht/Antwerpen: Van Dale Lexicografie BV, 2000.
- C.B. van Haeringen, Kramers’ Nederlands Woordenboek (Amsterdam: Elsevier, 1982, pp 213.
- Met sleutelwoorden, geheugenschema’s en subschema’s kunnen we informatie opslaan en met sleutelwoorden kunnen geheugenschema’s en subschema’s gemakkelijker naar het werkgeheugen gehaald worden. In het werkgeheugen kan de nieuwe informatie (van de situatie) vergeleken worden en aangepast. Hoe kernachtiger de sleutels en geheugenschema’s zijn, hoe sneller we de informatie uit de subschema’s kunnen oproepen. M. Boekaerts en P.R.J. Simons, Leren en instructie (Assen: Van Gorcum, 1995), pp 25-37.
- Dit kan ook psychologie of psychiatrie zijn.
- H. Faber (red.), Pastoraat balans en perspectief 1 (Kampen: Kok, 1983), p 110.
- G. Heitink, Pastorale zorg (Kampen: Kok, 1998), pp 21, 111.
- C.H. Lindijer, Pastor en therapeut (Den Haag: Boekencentrum, 1984), pp 17.
- B. Narromore e.a., Geloof in de hulpverlening (Amsterdam: Telos, 1982), p 11.
- G. Heitink, Pastorale zorg (Kampen: Kok, 1998), p 239.
- Ibid, pp 131-147.
- L. Reedijk-Boersma, Rouw dragen (Kampen: Kok, 1990), p 66.
- J van den Bout, E. van der Veen (red), Helpen bij rouw (Utrecht: De tijdstroom, 1997), p 172.
- H.J.M. Vossen, Vrijwilligerseducatie en pastoraat aan rouwenden, Theologie en empirie deel 2, (Kampen: Kok, 1985) pp 87, 141.
- C.F.G.E. Hallewas, In de schaduw des doods (Rotterdam: Narratio, 1989), p 52.
- C.H. Lindijer, Ouderen ontmoeten(Zoetermeer: Boekencentrum, 1999) p 128.
- C.H. Lindijer, Gids voor reisgenoten (Zoetermeer: Boekencentrum, 1989), p 58.
- E. Kübler-Ross, Dood, het laatste stadium van innerlijke groei (Amsterdam: Ambo, 1975), p 121.
- A. McGrath, 2000 jaar Christendom, (Kampen: Kok, 2000), p 197.
- In de pychiatrie spreekt men van het ‘draagkracht-draaglast model’. Onder draaglast verstaan we de ‘ik-zwakte’ bijvoorbeeld: biologische vatbaarheid, lichamelijke ziekte, stress, slechte relaties, nare herinneringen, rampen in het leven en zonde. Onder de draagkracht verstaan we de ‘ik-sterkte’, bijvoorbeeld: gezondheid, steun, fijne jeugd en hoogtepunten in het leven. Wanneer de draaglast de draagkracht overstijgt kunnen er problemen ontstaan. Als christen voegt Koos hier aan toe: ‘Als gebroken mensen hebben we minder draagkracht en de gebroken wereld is een zware draaglast. J. de Geest, Psychiatrie voor geestelijk werkers (Doorn: Teen Challenge), 1995, p 7.
- J.W. Worden, Verdriet en rouw (Amsterdam: Swets en Zeitlinger, 1992), pp 143-145.
- H. Buijssen, Verstoorde rouw bij ouderen (Baarn: Intro, 2000), pp 47,48.
- M. Keirse, Helpen bij verlies en verdriet (Tielt: Lannoo, 1998), pp 144,155.
- G. Heitink, Pastorale zorg (Kampen: Kok, 1998), p131.
- A. Houtepen, ‘God in het ziekenhuis’, in: C. Menken-Bekius e.a., Pastoraat als geestelijke verzorging in een algemeen ziekenhuis: Praktische theologie 2000 4 (Zwolle: Waanders, 2000), p 118.
- G. Heitink, Pastorale zorg (Kampen: Kok, 1998), p 135.
- P. Hofland, Op leven en dood (Kampen: Kok 1997), p 10.
- Ibid, p 98.
- W. ter Horst, Over troosten en verdriet (Kampen: Kok, 1995), p 163.
- G. Heitink, Pastorale zorg (Kampen: Kok, 1998), p 138.
- Ibid, p 138.
- Ibid, pp 140-142.
- Ibid, p 143.
- C.H. Lindijer, Gids voor reisgenoten (Zoetermeer: Boekencentrum, 1989), p 53.
- Ibid, p 54.
- L. Reedijk-Boersma, Rouw dragen (Kampen: Kok, 1990), p 43.
- C.H. Lindijer, Ouderen ontmoeten (Zoetermeer: Boekencentrum, 1999), p 128